Steve Cropper | Boerenjongen met gitaar

Gitarist Steve Cropper speelde met: Otis Redding, Bob Dylan, Neil Young, Rod Stewart, Eric Clapton en Levon Helm. Van hem zijn de heerlijke lickjes op de soulplaten van Stax, maar hij was ook de gitarist bij de Blues Brothers in de film en op de plaat. Soul met de voeten stevig in de country. Eindeloos repetitief als dat nodig is, warm en melodisch als het kan. De perfecte sideman stapt weer eens uit de schaduw en komt met een nieuw soloalbum: Fire It Up.

Tekst: Leo Blokhuis

Fotografie: Michael Wilson

“Ik weet niet hoe het met Booker is. Hij maakt vast platen, lijkt mij, haha.” Ooit waren ze onafscheidelijk: organist Booker T. Jones, gitarist Steve Cropper en bassist Donald ‘Duck’ Dunn. Booker T & The MG’s was de huisband van het prachtige Stax-soullabel in Memphis en begeleidde artiesten als Otis Redding, Rufus Thomas, Sam & Dave en Eddie Floyd, om er maar een paar te noemen. Drummer Al Jackson werd in 1975 doodgeschoten door een indringer in zijn huis. Dunn overleed in 2012 in zijn slaap tijdens een tour in Japan met Cropper.

“Als de band weer zou spelen zou het Booker T & The MG zijn. Booker en ik zijn de enigen die over zijn.” 79 is hij nu, Booker 76. De toetsenist produceerde in Los Angeles het laatste, wonderschone album van The National-zanger Matt Berninger, Serpentine Prison, waarop zijn geweldige hammondorgel veelvuldig te horen is. Cropper maakte een soloalbum, Fire It Up in de befaamde RCA-Studios in Nashville, een kort wandelingetje van zijn huis.

iPhone

“Ik zit nu in een kantoortje van RCA”, lacht Cropper op mijn beeldscherm. De zoomverbinding met het studiocomplex waarin de jaren zestig Elvis zijn grote hits opnam, is perfect en Cropper is vrolijk. “In 2008 en 2010 maakte ik platen met Felix Cavaliere. We hebben toen liedjes geschreven die nooit zijn afgemaakt.” Dat deed Cropper het afgelopen jaar wel tijdens de lockdown, met producer Jon Tiven. Steve, Jon en drummer Nioshi Jackson, hij woont ook vlakbij, spelen alle tracks en sturen die naar zanger Roger Reale. Hij schrijft teksten en zingt die in op zijn iPhone. Voor de demo’s, neem ik aan.

“Nee”, lacht Cropper, “alle vocalen zijn gedaan met een iPhone. Klinkt prima.” Terwijl ik zit af te wegen of hij me nou in de maling neemt, vertelt hij rustig verder. “Hij stuurde dat naar Jon, die mixte het en ik deed dan wat gitaaroverdubs. En dat was het. Iedereen wil tegenwoordig bekende gasten die meedoen, ik niet. Ja, Beth Hooker zingt op één nummer mee. Maar alles wat zij daarvoor hoefde doen, is door haar tuin naar die van Tiven te lopen, ze wonen naast elkaar.” Beth zong eerder met Elton John, Sting en dat soort artiesten mee.

“Beth wilde op meer nummers zingen. Misschien heeft ze dat wel gedaan, maar ik wil het niet horen. Ik zei tegen Jon: Niet te veel artiesten op deze plaat. Ik kijk geen films terug en ik luister niet naar wat ik gedaan heb als het klaar is. Ik hoor het graag op de radio, maar ik ga er niet voor zitten.”

“Ik zie dit als de opvolger van mijn album With A Little Help From My Friends uit 1969.”

Dan ziet hij er wel een paar over het hoofd, verschillende platen met anderen, maar in de vroege jaren 80 maakte hij wel degelijk ook twee platen helemaal solo. “Ja, daar moest iemand anders me aan herinneren. Dat is waar ook, dacht ik toen, dat was toen ik leerde zingen. Er was een vriend die de Blues Brothers volgde en zei: ik wil dat je een album doet als de Blues Brothers klaar zijn. We hebben er twee gedaan, prima hoor, maar ik ben geen zanger. En verder bracht het label het verkeerde nummer op single uit. Ik zei: okee dan, maar daarna komt mijn keus. Maar er kwam natuurlijk nooit een tweede single”, zegt hij lachend.

Stervende Kraaien

In het nummer dat voor het nieuwe album uit werd gereleased, Far Away, horen we Roger Fa Fa Fa Fa zingen. Een knipoog naar Otis Redding neem ik aan? “Natuurlijk”, knikt Cropper. “Otis zong een saxofoonpartijtje voor me. Fa fa fa fa… Ik zei: dit is je song. Hij was al met de blazers bezig, terwijl wij het liedje nog niet eens af hadden. Hij had zo veel onaffe ideeën en ik hielp hem dan daar hele liedjes van te maken, zo ben ik co-writer van veel nummers van hem geworden. Otis was zo streetwise. Ik zag hem als mijn oudere broer, maar we waren even oud. Mensen vragen wel eens: wat zou hij nu gedaan hebben? Ik hoop dat hij nog altijd Dock Of The Bay zou zingen.”

Otis schreef een deel van de tekst en nam samen met Cropper de eerste demo van dat nummer op vlak voordat hij omkwam bij een vliegtuigongeluk. Redding had grootse plannen met het nummer, met backing vocals en al. “Ik zei: als je nou even wacht, dan haal ik de Staple Singers erbij. Dat is de volgende plaat die ik produceer. Ik wist zeker dat ze dat wilden doen, maar het is nooit gebeurd. Stax wilde een nieuwe single. Meteen. Ik heb nooit de kans gehad veel toe te voegen. Otis hoorde ook meeuwen in zijn hoofd. Ik probeerde het op mijn gitaar, maar het klonk meer als stervende kraaien dan als meeuwen, dus ik heb echte meeuwen en zeegeluiden toegevoegd.”

Het album dat Cropper kort daarna met de Staple Singers opnam, is Soul Folk In Action. Daarop staat hun versie van Dock Of the Bay. Hier kon Cropper meer van de ideeën kwijt die hij met Otis aan het ontwikkelen was voor dat nummer. Maar hij heeft nooit overwogen om verder te sleutelen aan Otis’ versie. “Nee. Ik denk dat ik meteen de afzondering heb gezocht.” Zijn lach klinkt wat minder uitbundig nu. “Ik heb heel lang niet naar Otis kunnen luisteren. Uiteindelijk zei een vriend: ga maar weer luisteren. Dat heb ik gedaan, en het was héél moeilijk. Voor mij is het gisteren gebeurd, niet ruim 50 jaar geleden.”

Voor het eerst in ons gesprek is hij even stil. “Jij kent het repertoire van Otis”, zegt hij dan. “is er een nummer van Otis dat niks gedaan heeft en wat groot had moeten worden? Nobody’s Fault But Mine. Dat is prachtig. Als je Otis’ zang weghaalt, en de rest van de band en je hoort mij alleen spelen, dan hoor je country. Maar mét Otis werd het heel funky.”

Stax begon ooit als een countrylabel, maar stapte al snel over naar rhythm & blues. Het zijn de late jaren 50 en country is voor blanke mensen, rhythm & blues voor de mensen van kleur, de muziek die later soul genoemd wordt. Maar Jim Stewart, die het label samen met zijn zus Estelle Axton oprichtte (de beginletters van hun achternamen vormen de naam van het label), was een liefhebber van r&b. “Die overstap van country naar rhythm & blues is niet zo groot hoor”, zegt Steve. “Zangeres Shemekia Copeland zei het al: country music ain’t nothing but blues with a twang. De passie vanuit het hart is hetzelfde. Otis en ik hadden veel gemeen. Wij verhuisden naar de stad, maar we waren in wezen nog steeds boerenjongens. Ik begreep wat zijn passie was en hij begreep de mijne. Wij keken niet naar elkaar als zwart en wit. Met Eddie Floyd ook niet. Er was geen kleur. En als ik samen met Booker aan het spelen was, dachten we echt niet dat er een witte en een zwarte jongen samen muziek maakten.”

Huisband

Terwijl in de maatschappij van het zuiden van de Verenigde Staten de kleurlijn nog scherp door het publieke leven liep. “Ja, ik heb de bordjes wel gezien hoor: alleen voor blanken. Maar we dachten er niet over na. We aten met elkaar, bij elkaar. Ik ben heel vaak bij Rufus Thomas thuis geweest om te eten en die familie ontving me altijd hartelijk. En zo gingen Otis en ik ook met elkaar om. Hij was de vriend van iedereen. Uiteindelijk belandde ik bij iemand die precies hetzelfde deed: John Belushi. Die man heeft nooit een fan een handtekening geweigerd. Ik werkte met de besten. Roy Orbison, ik heb nog vier of vijf songs met hem geschreven. Mensen sprongen over toonbanken, ze schreeuwden uit auto’s, ze deden alles om bij Roy te komen. En ook bij Belushi. Hij weigerde ze nooit als ze bij hem kwamen.”

Wie de film The Blues Brothers heeft gezien, zag Cropper met zijn lange bruine haren en meestal een zonnebril op gitaar spelen. In dezelfde band zit zijn highschoolvriend Donald ‘Duck’ Dunn. Een rossige krullenbol met regelmatig een pijp in de mond en een bas voor de buik. Dunn kwam bij Booker T & The MG’s net nadat de groep een even grote als onverwachte hit scoorde met Green Onions. De band stond in 1962 in de studio te jammen, wachtend op zanger Billy Lee Riley. Na een tijdje riep Jim Stewart door de studio-intercom: “Dat is prima jongens. Hebben jullie ook iets voor de B-kant?”

De jam kreeg als titel Behave Yourself en Cropper herinnerde Booker aan een riff die hij kort daarvoor had voorgespeeld. Dat werd Green Onions. Een radiostation draaide kort daarna de single op en begon Green Onions te draaien en de huisband van Stax scoorde een enorme hit. “Nummer drie in de Billboardsinglelijst en nummer 1 in de r&b-lijst”, somt Steve op. “En het klinkt nog steeds goed.” Natuurlijk door het kenmerkende Hammond geluid van Booker T Jones, maar Cropper speelt zijn precies geplaatste accenten op gitaar perfect.

Hij kan niet echt een gitarist bedenken die hem inspireerde. “Ik speel wat ik hoor. Ik ben niet echt een muzikant, ik kan het niet opschrijven, maar ik hoor het wel. Ik ken geen gitaristen die doen wat ik doe. En dat heeft een reden. Ze willen het niet, hahaha. Ik doe het graag. Maar ik ken niemand die anderhalf uur hetzelfde wil spelen. Ik vind het niet erg. Ik pik het ritme op en ik speel het. Ik hoor een lijntje en doe die nog eens. En nog eens. Totdat die blijft hangen.

Ik ben meer van de groove dan van de melodie. I channel music. Ik sta er voor open en laat het gebeuren. Otis liet me anders gitaar spelen. Ik weet niet waarom, ik sta er voor open.” Hij knikt met z’n hoofd naar achter. “Thuis speel ik niet veel. Zou ik wat meer moeten doen, anders wordt het roestig, haha. Die gitaar staat daar maar in de hoek.”

Samenwerkingen:

NEIL YOUNG

In 1993 begeleidde Booker T & The MG’s Neil Young tijdens zijn wereldtournee. Neil Young zang en gitaar, Cropper op gitaar, Booker T op toetsen, Donald op bas en voor de gelegenheid Jim Keltner achter de drums. Ik zag de show in Ahoy en herinner mij hem als een van de beste die ik zag. “Neil was op z’n best, die concerten”, zegt Cropper. “De tour werd gekozen als de beste van dat jaar, maar niet alle Neil Young-fans waren er blij mee.

Die wilden Crazy Horse. Maar Neil was blij, de producer en wij ook. Er is toen gesproken over een album eventueel nog een tour, maar dat is er nooit van gekomen.” Niet met Cropper in elk geval. In 2002 brengt Young het album Are You Passionate uit. Booker T en Duck Dunn spelen op die plaat mee, maar de gitarist naar Neil is Frank Sampedro, de man uit Crazy Horse.

ROD STEWART

Cropper werkte met Rod Stewart voor de albums Atlantic Crossing en A Night At The Town. “Ik speel bijvoorbeeld op The First Cut Is The Deepest enzo. We hebben ook samen een nummer geschreven ja. Ik bracht hem een nummer dat ik Too Much Noise had genoemd. Maar Rod is een kei in het herschrijven van het verhaal van een liedje. Het is hetzelfde idee, andere benadering. In mijn liedje komt een gast terug van een tour van 6 maanden en wil wat rust thuis.

Dus hij komt thuis, is daar net een feestje bezig. Too much noise. Rod pakt dat liedje en noemt het Stone Cold Sober, ik moet stoppen met drinken. Hij komt thuis na een tour en heeft backstage altijd drank. Ach ja, zo hebben we wat dingetjes samen gedaan. God bless him, omdat hij mij wat credits gegund heeft.”

Deel bericht op

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on email
Email
Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Meer nieuws

The Underground | Frimout

In 2012 begint de Nederlandstalige band Frimout rond frontman Stef Willems aan hun missie: met eigen Nederlandstalige popmuziek de Vlaamse muziekwereld veroveren. Hun swingende popsongs

Lees meer