Muse: messcherpe hits, knallend vuurwerk en een dolgedraaide frontman

Concertverslag
Blakend van het zelfvertrouwen overrompelde Muse donderdagavond een uitzinnig Goffertpark met een rockshow die ze nooit eerder gaven, vol zwartgallige teksten, donkere elektronica en een frontman die zó op ging in de muziek dat het in de spectaculaire bisronde even fout leek te gaan. Maar uiteraard hoorde ook dat toneelstukje bij het spektakel dat Muse de 60.000 bezoekers twee uur lang voorschotelde.
 
Tekst: Sebastiaan Quekel
 
Met Muse weet het Goffertpark inmiddels wat het in huis haalt: een stadionrockband van formaat, die iedere keer weer overweldigende rockshows levert, vol messcherpe hits, knallend vuurwerk en een dolgedraaide frontman, die met zijn theatrale bewegingen de fans in opperste staat van vervoering weet te brengen.
 
Dat ze dat kunnen is geen publiek geheim, maar in het Goffertpark laten de Britten zich van een hele andere kant zien. Zanger Matthew Bellamy, opnieuw gestoken in een maf outfit, maar nu inclusief een gek brilletje met led-verlichting op zijn neus, is bijna de hele show omringd door een dozijn aan dansers en acrobaten, die gewapend met trombones, lichtzwaarden en rookkanonnen het spektakel van nog meer visualiteit voorzien.
 
Bellamy is wederom de showman zoals we ‘m kennen, met zijn bekende slalombewegingen en overdreven gelaatsuitdrukkingen, maar in het Goffertpark krijgen we ook een andere kant van hem te zien. Vooral bij de nieuwe, sci-fi-achtige rocknummers lijkt hij tot diep in zijn ziel te graven. Algorithm komt met de donkere elektronica en een moddervette Muse-riff als een sloopkogel binnen, waarin Bellamy met zijn zweverige armbewegingen de rookgordijnen zelf een kant op lijkt te sturen.
 
Het zijn de dingen die Bellamy als frontman kenmerken. Voor hem werken de obligate praatjes met het publiek niet. Het Goffertpark moet het doen met een aantal keer ‘dankjewel’ op zijn beste Nederlands en wat handkusjes hier en daar, maar voor de rest laat de Brit zijn podiumcharisma het werk doen. Met effect. Tijdens Mercy slingert Bellamy als een reptiel over de catwalk, geeft handjes aan de fans op de eerste rij en ontroert hen met die heerlijke kopstem.
 
Dat de show nooit echt inzakt, komt vooral doordat Muse werkelijk alles uit de kast trekt om een zo spectaculair mogelijke show af te leveren. Dat lukt zonder meer: bij vlagen kom je ogen tekort om te zien wat er allemaal op dit megalomane decor gebeurt. Acrobaten die van bovenaan het podium abseilen, dansers die vechten met robots: het is af en toe echt even naar adem happen in het Goffertpark.
 
Hoe bombastisch en licht overdreven al dat spektakel ook is:  de show is en blijft een Muse-show pur sang. Anders gezegd betekent dat een salvo aan pakkende riffs, snerpende gitaarsolo’s en stevige jamsessies die de nummers indrukwekkend aaneenrijgen. Muse overstijgt zichzelf daarin in de finale, als het zijn bekendste metalriffs uit oudere nummers als Assassin en Reapers op indrukwekkende wijze aan elkaar knoopt.
 
Het gejubel in het veld verstomt even als Muse nog één grote verrassing uit diens hoge goed tovert. Achter het podium duikt ineens een gigantisch opblaasbaar skelet omhoog, met een mond dat op en neer gaat en bewegende lange vingers die vlak boven de hoofden van de bandleden zweven. Even lijkt Bellamy per ongeluk gegrepen te worden door het monster, maar uiteraard hoort dit weer bij het gestoorde spektakel.
 
Muse blijkt in de finale nog lang niet uitgeblust en stuurt á la Metallica grote witte ballen de weide in die over de toeschouwers zweven, om vervolgens in de toegift met het ongeëvenaarde ‘Knights of Cydonia’ voor één laatste aardbeving te zorgen. Zo kreeg het Goffertpark een spektakelstuk dat zijn weerga niet kent, en waarmee Muse eens temeer bewijst een van de grootste rockbands van deze planeet te zijn. Zo niet de grootste.