The Kinks: ‘Toen het goed ging, ging het ook echt fantastisch’

Nieuws

Arthur Or The Decline And Fall Of The British Empire is een ijkpunt in de omvangrijke discografie van The Kinks. Het vijftigjarig jubileum wordt gevierd met een zogenoemde Super Deluxe-editie die maar liefst tachtig opnamen behelst. Een gesprek met Dave Davies over het naoorlogse Engeland, Shangri-La in suburbia en opgeklopte broedertwisten.

Tekst: Chris van Oostrom

Het in 1969 verschenen Arthur Or The Decline And Fall Of The British Empire was destijds in commercieel opzicht min of meer een flop. Het album heeft sindsdien alleen maar aan status gewonnen en wordt nu terecht gezien als een meesterwerk. Roeranger Ray Davies schreef er twaalf van zijn allerbeste liedjes voor, gesitueerd op het kruispunt van rock, pop en folk. De plaat belichaamde een intrigerende paradox: uiterst krachtige songs over een impotente natie. Broer Dave herinnert zich het scheiden doet lijden proces dat eraan voorafging.

Zoals de oorspronkelijke hoes al aangaf, was die albumtitel een misleidende lokker: je zou iets over Arthur en de Ridders van de Ronde Tafel verwachten, maar in plaats daarvan kregen we de wederwaardigheden van een onbeduidende ploeteraar in suburbia.

“In die dagen werd er veel gesproken over hoe groot het Britse Rijk ooit geweest was en de teloorgang ervan die men met lede ogen aanzag. Wij waren toen erg jong, maar onze oren gonsden nog na van de echo’s die van alle oorlogsverhalen waren blijven hangen. Na de Tweede Wereldoorlog trad er in Engeland een soort strenge soberheid in, terwijl we die oorlog toch echt gewonnen hadden. De werkende klasse toonde zich niettemin buitengewoon veerkrachtig, zoals ze dat altijd gedaan heeft. Maar eigenlijk is de plaat geïnspireerd op de emigratie van mijn oudste zus naar Australië. Dat was toen nog iets heel bijzonders en het trok een wissel op de familie, die plots uiteenviel. Vandaag de dag vlieg je op dezelfde dag van land naar land, maar in die dagen was het nog een hele beslissing om in een vliegtuig te stappen en gewoon weg te gaan. Australië bood echter van die ultragoedkope deals aan, omdat het land dringend nieuwe aanwas nodig had. Mijn zus ging, net zoals de zoon van Arthur op het album. Arthur gaat over mensen die na de oorlog hun plaats in het grote geheel moesten heroveren.”

Hoe was de sfeer tijdens de opnamen van Arthur? Bassist Pete Quaife had de groep immers begin dat jaar verlaten en het vorige album ‘The Kinks Are The Village Green Preservation Society’ was bepaald geen kassucces geworden?

“Verrassend genoeg was de sfeer juist uitstekend. Ondanks het feit dat Pete was opgestapt, hadden we allemaal het gevoel dat Arthur een belangrijk album voor The Kinks zou zijn. We vormden dus echt één front. En John Dalton was een prima vervanger voor Pete. Hij voegde zich helemaal naar de rest. De songs zijn bij stukjes en beetjes ontstaan. We repeteerden bij Ray thuis, terwijl we in de pauzes voetbal speelden. De muziek was oorspronkelijk bedoeld voor een televisiespel, maar op het laatste moment zag Granada Television ervan af. Misschien vonden ze wel dat The Kinks uit de mode waren geraakt, ik weet het niet.”

Opvallend is dat het album ook een anti- oorlogssong bevatte: ‘Some Mother’s Son’. Dat was in Engeland toen nog vrij ongewoon, terwijl die protestsongs in Amerika onder invloed van de Vietnamoorlog schering en inslag waren.

“Ja, dat klopt. Misschien dat de mensen in Engeland liever niet herinnerd wilden worden aan al die zaken. Ze verschansten zich bij voorkeur in hun eigen Shangri­La’s en probeerden hun lot te verbeteren. De maatschappij zat toen zeer gecompliceerd in elkaar. Wij waren ons daarentegen heel goed bewust van de knellende situatie waarin jongeren in Amerika verkeerden, want we stonden juist op het punt daar een tournee te ondernemen nadat we er enige jaren in de ban gedaan waren.”