Gilbert O’Sullivan | Terug uit de vergetelheid

Nieuws Uit Magazine

Wie kent hem nog? Gilbert O’Sullivan. De man met het koddige petje, de olijke lach en zijn schoenen op de piano. Met bandleden van onder meer Oasis en Van Morrison nam hij een nieuwe plaat op. Op Jersey speelt hij open kaart over zijn moeizame leven als (bijna) vergeten popicoon.

TEKST: JEAN-PAUL HECK

Het bericht dat Gilbert O’Sullivan met een nieuw album zou komen, was vooral een teken van leven. Wat is er toch geworden van de man die begin jaren 70 een reeks hits scoorde met prachtige, innemende liedjes als Nothing Rhymed, Clair en All Alone (Naturally)? Daarna bleef het stil en kwam O’ Sullivan nog slechts in het nieuws als hij weer eens een rechtszaak won die hij tegen een manager, collega-muzikant of label had aangespannen. De geboren Ier woont al jaren op het kanaaleiland Jersey. Daar vertelt de 71-jarige kluizenaar zijn verhaal.

Hier op Jersey zou je bijna vergeten dat supersterren zoals Justin Timberlake, Elton John en voormalig Smiths-zanger Morrissey superfans van O’ Sullivan zijn. Het is een regenachtige dag als zijn twee jaar jongere broer Kevin het Nederlandse bezoek over het eiland rijdt. Kevin is een guitig ogende Ier die al 45 jaar hand- en spandiensten verricht voor zijn zo succesvolle broer. We rijden via het dorpje St. Brelade naar de westkust van het eiland, waar een werkelijk prachtig woonboerderij opdoemt. In de tuin trekt een onooglijk schuurtje meer aandacht dan het enorme zwembad en de twee tennisbanen.

Bij binnenkomst valt meteen op dat de kenmerkende kop van Gilbert O’ Sullivan de inrichting van dit huis bepaalt. Schilderijen, kussentjes, handgemaakte vazen en wandkleden, allemaal met de kop van de heer des huizes erop afgebeeld. De echte versie heeft zich boven opgesloten in zijn werkkamer. Hij springt meteen in de houding als het bezoek uit Nederland deze ‘heilige plek’ betreedt.

“Hier verdoe ik het grootste deel van mijn leven. Liedjes schrijven, piano spelen en naar muziek luisteren….” Dat is wel duidelijk: overal liggen stapels met cd’s op de grond, met daarnaast kleine papiertjes vol minutieuze aantekeningen. “Ik ben een vreselijk georganiseerd mens. Alles wat ik doe, registreer ik. Er gaat geen muzikale handeling voorbij die niet op tape is vastgelegd. Ik schrijf elke dag, ideeën, teksten, ga zo maar door.”

SCHUWE MAN

O’Sullivan kijkt zijn bezoek doordringend aan. Hij is net de 70 gepasseerd maar zo op het eerste oog lijkt hij geen spat veranderd. De grote bos haar is alleen maar groter geworden en zijn lange, tanige lichaam is gestoken in een vest van angorawol. De schuwe man die altijd de media vermeed, blijkt een behoedzame prater te zijn. “Ooit was ik genomineerd voor een Grammy en heb mij toen afgemeld bij de organisatie. Ik ben volledig antisociaal en mijn vrouw heeft daar nog altijd de grootste moeite mee. Ze probeert mij nog steeds mee te slepen naar sociale uitjes op dit eiland. Tevergeefs…”

Dan staat hij op en loopt naar een kleine kamer. “Hier liggen de tapes van alle liedjes die ik de laatste jaren heb geschreven. Ik breng nog steeds platen uit hoor. Mijn laatste waren in Japan een groot succes. Jammer dat de cd’s niet in jullie land zijn uitgekomen.”

Dat gaat wel gebeuren met zijn nieuwe titelloze werkstuk. O’Sullivan is voor het eerst in bijna 30 jaar weer getekend door een groot platenlabel. “En die kwam met een lijst van producers die wel graag met mij wilden werken. Bovenaan die lijst stond de naam van Ethan Johns. Die kende ik wel van zijn werk met Paul McCartney en Kings of Leon. Zijn geluid is wat je noemt organisch. Daarnaast wist hij op de platen van Ray LaMontagne het orgel geweldig te laten klinken. Dat trok mij over de streep. En nu opeens wil iedereen mij weer interviewen. Geweldig. Vooral als het voor een Nederlands blad is.”

Nederland is hem altijd dierbaar geweest. “Ik heb in de jaren ‘70 zelfs nog een paar maanden in Blaricum gewoond met een goede vriendin uit Eindhoven. Het was een bijzon- dere tijd.” Dat was midden in de bloeitijd van de in Ierland geboren en in Engeland opge- groeide minstreel. Een geweldige periode die volgens hem te snel voorbijging. “Ik was na Van Morrison de eerste Ier die wereldberoemd werd. We hebben het over de tijd vóór Thin Lizzy en U2. Ierland was supertrots.” De ballade Nothing Rhymed betekende in 1970 zijn doorbraak en daarna volgde de eerdergenoemde hits, Get Down en Matrimony. “Het was een mooie maar ook moeilijke tijd, omdat ik door de media vaak belachelijk werd gemaakt. Dat imago van de ‘Bisto Kid’, een jongen uit de jaren 30 met kort haar, platte pet en korte broek, had ik zorgvuldig uitgekozen maar ze snapten er niets van. Het waren de hoogtijdagen van de hippies en ik leek weggelopen uit een Charles Dickens-boek.”

POPULARITEITSPRIJS

Dat O’Sullivan in Nederland in de jaren daarna nog amper hits scoorde, heeft volgens hem vooral te maken met de opkomst van de rock en meer expressieve landgenoten als David Bowie en Elton John. “Zij waren trendy en ik niet.” Medelijden hoeven we overigens niet met de zanger te hebben. In 1982 haalde O’ Sullivan maar liefst vijf miljoen pond binnen toen hij een rechtszaak tegen zijn voormalige manager Gordon Mills won.

“Gordon is heel belangrijk voor mijn carrière geweest en ik heb zelfs een nummer voor zijn toen driejarige dochtertje (Clair) geschreven. Maar hij draaide door en had op een gegeven moment zelfs een eigen dieren- tuin met tijgers en gorilla’s. Het sloeg nergens op. Daarnaast wilde hij niet dat ik, net als mijn vriend Rod Stewart, met een Amerikaanse producer ging werken. Die conservatieve instelling heeft mijn carrière geen goed gedaan. Tegenwoordig heb ik overigens wel weer contact met de weduwe van Gordon, maar het was een moeilijke periode.”

Mede door dit soort perikelen staat O’Sulli- van in de showbizzwereld bekend als een moeilijk mens. “Natuurlijk! Ik heb eerst mijn manager en daarna een platenmaatschappij voor het gerecht gedaagd. Later ook nog rapper Biz Markie (die had Alone Again zonder toestemming geleend). Ik heb al die rechtza- ken ook nog eens gewonnen en daarmee win je niet de populariteitsprijs. Ik ben echter wel een van de weinige artiesten uit de jaren ‘70 die eigenaar is van zijn eigen liedjes.”

Overigens weigert O’Sullivan te accepteren dat de fans in Europa puur een kaartje kopen vanuit een hang naar nostalgie. “Ik maak bijna elk jaar een nieuw album en durf hier gerust te stellen dat ik, in tegenstelling tot veel andere grote singer-songwriters, muziek maak die beter is dan mijn oude werk. Het verkoopt echter niet en dat is jammer. Het is prachtig als mensen mijn liedjes coveren, maar ze zijn niet bedoeld om ze door anderen te laten misbruiken. Ik heb aanbiedingen van een half miljoen dollar geweigerd omdat ze een liedje voor een commercial wilde gebruiken.”

Even maakt hij zich boos maar loopt dan naar het raam. Hij wenkt en wijst naar het eerder gesignaleerde onooglijke schuurtje. “Dat is het schuurtje dat vroeger bij ons in Swindon, in de achtertuin stond en waar mijn eerste piano net in paste. In dat schuurtje heb ik mijn grootste hits geschreven.”

VIJFSTERRENKORPS

Die hits zullen volgens hem ook worden gespeeld tijdens zijn komende tournee. Of hij Nederland aan doet weet hij nog niet. “Er is geen promotor die tienduizend pond wil neerleggen voor mij en mijn band.”

Alle hoop is gevestigd op zijn nieuwe album dat oude tijden doet herleven. “Ik wilde absoluut die klassieke sound van mijn oude platen terughalen en het is grappig dat dit een jonge producer is gelukt. Ethan en ik hebben een keer in Londen met elkaar afgesproken en ik wist al snel dat hij de juiste man was. We wilden het album eerst opnemen in Los Angeles, maar uiteindelijk heb ik alle muzikanten naar Jersey laten komen. Gewoon bij mij thuis in mijn eigen homestudio.” De popmiljonair is namelijk een echte huismus. Die samen met zijn Noorse vrouw Aase gehecht is aan de intimiteit van Jersey. Daar moest de ervaren rot zijn perfectionisme even laten varen. “Ethan wil het graag bij drie takes houden. En als we dan een perfecte versie van een song hadden opgenomen, koos hij er toch voor eentje die foutjes had, maar wel de perfecte feel wist te treffen.”

Met routiniers als pianist Geraint Watkins (Van Morrison), Andy Fairweather Low (Eric Clapton), drummer Jeremy Stacey (Noel Gallagher, The Waterboys) en gitarist Paul Stacey (Oasis) hadden O’Sullivan en Johns de beschikking over een vijfsterrenkorps. Hij lacht als de namen voorbijkomen. “Ik heb met veel grootheden gespeeld, bijvoorbeeld met de legendarische Herbie Flowers (Elton John, Lou Reed), maar ik had nu alleen maar cracks tot mijn beschikking, dat was wel erg mooi.”