For those about Rock | AC/DC

Soundz

Ze werden genaaid bij het leven en geweigerd bij hun eigen concerten. Maar in al hun naïviteit hebben de mannen van AC/DC toch maar mooi het tweede decennium van de 21ste eeuw gehaald. Zonder moeilijke marketingplannen, maar mét volle stadions en een dito bankrekening. En als klap op de vuurpijl is daar ook nog eens Power Up, een nieuw album met de verloren gewaande zanger Brian Johnson als het duveltje uit een doosje.

Door Jean-Paul Heck

Één van de grootste rockbands aller tijden

Welkom in de wondere wereld van AC/DC, de band met misschien wel de meest fanatieke aanhang ter wereld. En net als de muziek van hun favoriete groep zijn die miljoenen fans nog even ruw en recht voor zijn raap als pak ‘m beet 40 jaar geleden. Ik sprak de bandleden verschillende malen op plekken door heel Europa. In Londen zat ik tegenover Malcolm en Angus, in Berlijn wederom tegenover de twee broers. De laatste keer in 2014, rondom de release van Rock Or Bust, in Düsseldorf met wederom Angus en bassist Cliff Williams. Met hen liep ik door de bizarre geschiedenis van één van de grootste rockbands aller tijden.

Die wonderlijke wisselwerking tussen band en fans zorgt er voor dat elk nieuw AC/DC-album zonder uitzondering een miljoenenverkoop genereert. En dat al ruim 45 jaar lang. Het Amerikaanse muziekblad Rolling Stone wist ooit  te vertellen dat de Aussies met 70 miljoen albums na The Beatles, Led Zeppelin, Pink Floyd en de Eagles de best verkopende act aller tijden is. Als ik die cijfers voorleg aan Angus en zijn collega/broer Malcolm, beginnen ze gelijktijdig te grinniken. “Mooi, mooi, maar niet zo bijzonder. Uiteindelijk gaat het er om dat we ’s avonds in topvorm zijn als we op het podium staan. De rest doet er niet toe.” Malcolm leeft niet meer. Hij overleed in 2017. Maar toch goed om dat interview weer eens voor de dag te halen met de twee beroemdste rock & roll-broertjes uit de hardrockgeschiedenis. Niet lullig bedoeld hoor, maar ze hebben in ‘real life’ wel wat weg van Beavis en Butthead. Twee minimensjes, die vrijwel volledig verdwijnen in de grote stoffen bank van waaruit ze het bezoek te woord staan. Het is 2003 in hartje Londen. Malcolm draagt zoals altijd een shirtje zonder mouwen en een afgetrapte spijkerbroek. Angus heeft voor de gelegenheid een lange broek aangetrokken, waaronder zijn balletschoentjes des te meer aftekenen. Als ze lachen, doen ze dat enigszins besmuikt grinnikend, net als hun beroemde getekende fans uit de MTV-serie.

Maar wat vooral opvalt is hun enorme verlegenheid, die in zo schril contrast staan met die uitbundige podium-act. Angus en Malcolm Young zijn dan ook wars van iedere vorm van mediageilheid. Interviews geven ze niet graag en dus niet veel. Maar misschien heeft dat er óók wel toe bijgedragen dat AC/DC na al die tijd de mythe nog steeds in stand weet te houden. De band mist de grandeur van bands zoals Led Zeppelin of Queen en verwierf nimmer de media-aandacht die acts als Kiss, Aerosmith, Metallica en Guns & Roses ten deel viel. En daar schuilt volgens Angus nu juist de kracht. “Wij zijn de underdogs van de rockmuziek en die rol spelen we fantastisch.”

Maar is het wel een rol? Als dat zo is, dan hebben ze die pas in de loop der jaren ontwikkelt. Want feit is dat AC/DC ten tijde van het internationale debuut High Voltage (’76) wel degelijk een echte underdog is, waar in het verre Europa en Amerika maar weinig mensen rekening mee houden. Maar wat wil je, met zo’n rariteitenkabinet. Malcolm, de man met de ultieme rock & roll-snuit. Zijn hyperactieve broertje Angus, die zich standaard in schooluniform over het podium beweegt. De retestrakke ritmecombinatie van drummer Phil Rudd en bassist Mark Evans. En niet te vergeten de al wat oudere en knettergekke zanger Bon Scott. Hun songs klinken primitief en simpel en de knetterharde gitaren van de broertjes Young en de ruige vocalen van Bon Scott steken scherp af tegen de bombast die midden jaren zeventig voor hardrock doorgaat. De internationale muziekpers heeft al snel haar woordje klaar en schrijft AC/DC af als Australische boeren die waarschijnlijk niet eens hun eigen naam kunnen schrijven.

Niet dat de band zich er iets van aan trekt, maar het sterkt de heren wel in de gedachte dat ze hun doelen niet te hoog moeten stellen. Het besef dat er meer te halen valt, komt pas begin jaren tachtig als het album Back In Black in de hele wereld de albumlijsten bestormt. Malcolm: “Weet je, wij zijn Australiërs. Wij hebben niet hetzelfde verwachtingspatroon als Amerikanen of Engelsen. De eerste vijf jaar waren we al blij dat we een paar dollar per week van onze manager kregen om eten en drinken te kopen. En gitaarsnaren.”

Angus Young

‘Je zweet verschrikkelijk op het podium en ik heb een gruwelijke hekel aan natte spijkerbroeken. Dat schooluniform met korte broek was dé oplossing’

Australië

Angus en Malcolm Young groeien op in een muzikaal gezin dat in 1963 vanuit het Schotse Glasgow naar Sydney emigreert. Hun oudere broer George maakt deel uit van The Easybeats, de eerste Australische band die een hit scoort in Europa – en daarmee de weg plaveit voor het latere wereldsucces van The Bee Gees. De populariteit van hun broer zorgt ervoor dat Angus en Malcolm al op jonge leeftijd kunnen ruiken aan het heerlijke rock & roll-leven. “We zijn opgegroeid met een horde jonge meiden voor de deur die allemaal iets van George wilden hebben”, lacht Malcolm. “Voor Angus en mij was dat een enorme motivatie om ook iets in de muziek te bereiken.”

Tot zijn vijftiende werkt Malcolm in een beha-fabriek om zijn Marshall-versterker te kunnen afbetalen. En als hij in 1973 zijn bandje The Velvet Underground (geen familie van) opdoekt en op zoek gaat naar nieuwe muzikanten, komt hij op het lumineuze idee om Angus te vragen. Lumineus, omdat zijn broertje op dat moment pas vijftien jaar is. Het blijkt uiteindelijk een uitstekende zet. “Hij was vanaf het allereerste begin een enorme showman”, zegt Malcolm. “Het grappige is dat het nooit aanstellerig is bedoeld. Hij was als kind al erg druk en dat is hij nog steeds.”

Om de leeftijd en de lengte van de jongste Young nog eens te benadrukken, komt de al even komisch aangelegde zus van het tweetal op het idee om Angus in een schooluniform te hijsen. Tot op de dag van vandaag is het de enige maar o zo populaire gimmick van AC/DC gebleven. Malcolm: “Vanaf het moment dat Angus dat pakkie aantrok, veranderde hij in een monstertje. Opeens begon hij te springen en te rollen. Iedereen vond het prachtig.”

Volgens Angus heeft niet alleen de show er baat bij: “Ik zelf ook. Je zweet namelijk verschrikkelijk op het podium en ik heb een gruwelijke hekel aan natte spijkerbroeken. Mijn schooluniform bestond naast een katoenen bloes en een petje ook uit een korte broek. Dat was dus dé oplossing.”

Een jaar na de oprichting van AC/DC verhuizen de broers Young samen met zanger Dave Evans (later Rabbit) naar Melbourne, waar bassist Mark Evans en drummer Phil Rudd gevonden worden. Datzelfde jaar maken ze bovendien kennis met een ietwat gestoorde snuiter, die spontaan tot chauffeur wordt gebombardeerd. Zijn naam: Ronald ‘Bon’ Scott. Voor Angus is hij op dat moment al geen onbekende: “Ik zag Bon voor de eerste keer toen hij in een talkshow op de Australische televisie een popster aanviel die een song van hem had gestolen. Ik had meteen zoiets van: mmm, dat is wel iets voor AC/DC.”

Malcolm weet echter niet wat hij meemaakt als hij Scott voor het eerst on the road meemaakt. “Hij dronk twee flessen whisky per dag en gebruikte speed en cocaïne door elkaar. Aan de ene kant was dat heel beangstigend, aan de andere kant… Bon had gewoon overal schijt aan. En die instelling paste perfect bij AC/DC.” Nog voor het eind van 1974 is Bon Scott zanger van de band.

‘Rosie was een 130 kilo wegende hoer uit Tasmanië. Bon was helemaal gek van dikke vrouwen en Rosie viel precies bij hem in de smaak’

Foute Manager

Jarenlang hebben de gebroeders Young in betrekkelijke armoede aan hun droom gewerkt. Zelfs als AC/DC al lang en breed de populairste hardrockband van Australië is en ook in Europa en de VS de naam gestaag groeit, moeten de bandleden nog van een habbekrats rondkomen. Met dank aan een gewiekste manager die de naïeve Aussies tot op het bot uitwringt. Pas in 1978 komt daar verandering in, als Angus een opmerkelijke ontdekking doet. “We kregen altijd een weekgage van 35 dollar. We wisten ook wel dat we miljoenen platen verkochten, maar wij hadden echt het idee dat zo’n bedrag normaal was. Pas toen ik hoorde dat Cozy Powell [drummer van Rainbow] duizend dollar per week kreeg, wist ik dat er iets fout zat.”

Toch is het opvallend om te horen met hoeveel plezier Angus en Malcolm op die eerste straatarme jaren terugkijken. Grinnikend en hinnikend halen de twee herinneringen op aan het bouwval waarin zij met de hele band woonden. Malcolm: “Het stond ergens in een achterbuurt van Melbourne. We hadden geen rooie cent, maar we begonnen wel populair te worden. En net als in mijn tienerjaren belden er elke dag fans aan die drank en dope bij zich hadden. Dit keer kwamen zij echter niet voor onze oudere broer George, maar voor Angus en mij.”

Het is in dit huis dat AC/DC-klassiekers als Riff Raff, The Jack en Rocker het levenslicht zien, net als de nummers van een plaat die uiteindelijk de eerste Amerikaanse belangstelling zal wekken: Let There Be Rock (’77). Angus: “Malcolm en ik hadden een paar fantastische gitaarriffs geschreven, die wij gebruikten voor songs zoals Dog Eat Dog, Bad Boy Boogie en Let There Be Rock. Wij wisten op dat moment al dat wij goud in handen hadden.” En dan hebben ze Whole Lotta Rosie nog niet eens meegerekend, een song waarvan de hoofdpersoon letterlijk het uit het leven van Bon Scott is gegrepen. Angus: “Rosie was een 130 kilo wegende hoer uit Tasmanië. Bon was helemaal gek van dikke vrouwen en Rosie viel precies bij hem in de smaak.”

Niet alleen bij Scott, want ook in de rest van de wereld spendeert menig hardrockfan zijn avonden met Whole Lotta Rosie. Hoewel Europese muziekjournalisten in eerste instantie denken dat ze hier te maken hebben met een Australische punkband. Nou, niet echt: de heren hebben ten tijde van hun eerste Europese tournee zelfs nog nooit van punk gehoord en kijken in Engeland dan ook hun ogen uit. “Oh man, wij moesten zó lachen om die idioten met die veiligheidsspelden door hun neus”, grinnikt Malcolm. “Iedereen vertelde ons dat wij bang voor ze moesten zijn, maar Bon en ik hebben heel wat van die sukkels recht in hun smoel uitgelachen.”

Toch is achteraf gezien de vergelijking tussen AC/DC en punkbands zo gek nog niet. Beide maken een soort elementaire vorm van rock, waarin iedere neiging naar moeilijkdoenerij is uitgebannen. Snoeihard, simpel en tegen alle conventies in. Niet voor niets zullen jaren later mensen als Joe Strummer, Joey Ramone en Billy Idol toegeven dat AC/DC een grote invloed op hen heeft gehad. Allemaal leuk en wel, zegt Malcolm, maar zelfs al wáren ze een punkband geweest, dan had dat ze nog geen steek verder geholpen. “Want hoe komt het dat een band als The Ramones wél bijval van de muziekmedia kreeg en wij niet? Simpel, zij kwamen uit New York, wij uit een achterbuurt van Melbourne. Dat klinkt niet zo hip, hè.”

En zo komt het dat AC/DC in 1977 met een behoorlijk minderwaardigheidscomplex op zak voor het eerst voet zet op Amerikaanse bodem. Tijdens die trip loopt het zelfvertrouwen nog meer deuken op, hoewel dat achteraf gezien ook wel weer een paar mooie verhalen heeft opgeleverd. Malcolm: “We moesten een keer ergens in Georgia spelen. Om daar te komen hadden we tien uur in een busje gezeten. Eenmaal aangekomen bij de zaal geloofde echter niemand dat wij de hoofdact waren. De eigenaar zei: ‘Zulke kleine jochies? Donder op! Ga terug naar je buidel’. Dat soort opmerkingen kregen wij naar ons hoofd geslingerd. We waren zo verlegen dat we ook gewoon weer terug zijn gereden.”

Eenmaal in Los Angeles komt een droom uit als AC/DC in de beroemde Whiskey-A-Go-Go mag spelen. Met dank aan een overijverige portier loopt het optreden bijna uit op een fiasco. “Bon maakte er een gewoonte van om mij al solerend op de schouders te nemen en met hem de zaal uit te lopen – ik was in die tijd een van de eerste gitaristen met een draadloze gitaar. Maar toen we eenmaal buiten stonden, mochten wij niet meer naar binnen: die gasten bij de deur geloofden niet dat wij bij de band hoorden. Uiteindelijk hebben wij een kaartje moeten kopen om weer naar binnen te kunnen.”

“Bon kende geen angst. Soms kwam hij tijdens het ontbijt voorbij vliegen. Was hij vanaf zijn balkon op vijf hoog in het zwembad gesprongen’

Als Bonn Scott op 19 februari 1980 na een avondje heftig stappen stikt in zijn eigen braaksel, is het over met de pret. Niet dat het vanaf dat moment de verkeerde kant opgaat met AC/DC – integendeel, het grootste success moet nog komen. Nee, het is meer letterlijk bedoeld: met Scott kon je gewoon verschrikkelijk lachen. Als je van een beetje ranzigheid houdt tenminste. “Het was een enorme smeerlap”, lacht Angus. “Hij kon echt amper normaal Engels praten. Het enige wat er uit zijn mond kwam, waren woorden als fuck, asswipe, piss en cunt.”

De gerenommeerde producer Eddie Kramer maakt in 1979 op typerende wijze kennis met Scott. “Die man had met Kiss en Heart en Hendrix gewerkt, maar hij snapte helemaal niets van ons. Toen Bon zich aan Eddie voorstelde, liet hij een enorme boer in zijn gezicht. Dat deed hij altijd, meestal gevolgd door een flinke scheet. Kramer trok meteen zijn handen weg alsof hij net iemand met een enge ziekte had aangeraakt. Toen wisten wij al dat het tussen ons niets zou worden.” Uiteindelijk neemt John ‘Mutt’ Lange de productie over, met het fantastische Highway To Hell (’77) als resultaat.

Studio’s zijn sowieso niets voor vrijbuiter Scott. Op tournee voelt hij zich pas echt in zijn element. Angus ziet de zanger nog bij het begin van de eerste Europese tournee (in 1976) op blote voeten uit het vliegtuig stappen. “Hij liep al zijn hele leven op blote voeten en hij weigerde om die gewoonte te veranderen. Toen we in Londen aankwamen, was het twee graden boven nul en het hagelde. Maar hij volharde en liep gewoon met blote voeten door Oxford Street. Het was hilarisch. Net Crocodile Dundee.”

Een jaar later, tijdens een tournee met Black Sabbath, weet Scott zelfs Ozzy Osbourne de stuipen op het lijf te jagen met zijn levensgevaarlijke strapatsen. “Bon was nu eenmaal een jongen die geen angst kende. Hij dook werkelijk overal vanaf. Soms zaten we met z’n allen te ontbijten en dan kwam opeens Bon vallend voorbij het raam vliegen. Was hij zo van af zijn balkon op vijf hoog in het zwembad gesprongen.”

En dan plotseling is zo iemand er niet meer. Een onwerkelijke gebeurtenis voor de overige bandleden van AC/DC. “Voor mij was dat eigenlijk het einde”, zegt Malcolm. “Iedereen was leeg na de dood van Bon. Maar op de begrafenis in Perth heeft zijn vader ons wakker geschud. ‘Je moet doorgaan, je moet iemand anders vinden. Dat weet je toch wel?’, zei hij. Die woorden vergeet ik nooit meer.”

Eenmaal terug in het land der levenden zet het restant van AC/DC een zoektocht in naar een nieuwe zanger. Eén naam staat al op het lijstje, eentje die notabene is ingefluisterd door Bon Scott zelf. Angus: “Bon had ons ooit verteld dat hij een show had gezien van de band Geordie. En hij was erg onder de indruk geweest van hun zanger.” Die zanger heet Brian Johnson: een rasechte Schot, dus dat is al een pluspunt. Als hij vervolgens tijdens een auditie een perfecte versie van Whole Lotta Rosie laat horen, is de keuze snel gemaakt. “Het was de eerste keer in maanden dat wij weer konden lachen”, aldus Malcolm.

De band besluit meteen om songs te schrijven voor een nieuw album dat wederom met Mutt Lange als producer zal worden opgenomen op de Bahamas. De titel staat al bij voorbaat vast: Back In Black. “Er zit geen masterplan achter die titel, hoor”, zegt Malcolm. “We wilden gewoon een zwarte hoes zodat iedereen wist dat hij was opgedragen aan Bon.”

Nog voor de plaat wereldwijd uitkomt, doet AC/DC het Turfschip in Breda aan om try outs te doen voor de nieuwe wereldtour. Ook worden er in de provinciale evenementenhal een aantal videoclips opgenomen. Als ik Malcolm en Angus vertel dat ik bij dat optreden in Breda was, beginnen beiden te blozen. “Dat was een moment van grote onzekerheid”, zegt Angus. “We wisten dat we een killer album hadden opgenomen, maar aan de andere kant waren we doodsbenauwd voor de reacties van de AC/DC-fans. Die spanning heeft ons tijdens de eerste try outs behoorlijk parten gespeeld.”

In juli 1980, amper vijf maanden na de dood van Bon Scott, komt Back In Black uit. Terwijl de Australische fans in het openbaar het Scott-loze AC/DC aan de schandpaal nagelen, reageert de rest van de wereld uitzinnig. 23 Jaar later zijn er van het album wereldwijd meer dan negentien miljoen exemplaren verkocht.

‘Het is waar dat wij al dertig jaar hetzelfde verhaal vertellen, maar niemand kan dat verhaal zo mooi vertellen als wij’

Alles is veranderd en tegelijk ook weer niets. Als AC/DC in 1981 als headliner op het Monsters Of Rock Festival in het Engelse Donington, begint het optreden een half uur te laat. Reden? Malcolm Young en Brian Johnson mogen het podium niet op omdat de security-mensen niet geloven dat het tweetal in AC/DC speelt.

Het is typerend voor de status die de groep tot op de dag van vandaag heeft. Een hardrockinstituut dat even volhardend als onopvallend alle stormen heeft overleefd. Een band ook die ongelooflijk trouw is gebleven aan haar stijl en desondanks toch steeds weer nieuwe groepen met fans heeft weten aan te boren. Angus heeft daar wel een verklaring voor. “Het is waar dat wij al dertig jaar hetzelfde verhaal vertellen, maar niemand kan dat verhaal zo mooi vertellen als wij.”

Daar is niets op af te dingen. Maar toch blijft het opvallend dat AC/DC nog steeds volle stadions trekt, terwijl de laatste hit alweer dateert uit 1990 (Thunderstruck) en alle vormen van media-aandacht zorgvuldig worden ontweken. Voorbeeld: Angus Young woont tegenwoordig in het verre oosten van Nederland, waar zelfs de landelijke muziekpers hem niet weet te vinden. Hij praat er ook liever niet over, bang als hij is om zijn schuilplaats prijs te geven. “Ich bin ein Achterhoeker”, zegt hij. Meer wil hij er niet over kwijt.

Nee, het sterrendom is aan de broertjes Young niet besteed. Voor hen draait AC/DC nog steeds om dat ene ding: spelen. Angus: “We zijn door mensen als Jay Leno en David Letterman al tientallen keren gevraagd om in hun talkshows te komen. Ook wilde MTV ons rock icons maken, maar aan dat soort dingen werken wij niet mee. We leven allemaal een afgeschermd leven en we hebben schijt aan al dat gedoe. Alles draait namelijk om die twee uur die je ’s avonds op het podium staat. Daar spelen wij ons helemaal leeg. De rest is alleen maar ballast.”

En dat ze ondertussen tot de rijkste popsterren ter wereld behoren, is volgens broer Malcolm al net zo irrelevant. “Ach ja, geld. Het heeft ons nooit geïnteresseerd en dat zal ook nooit gebeuren. Ik kijk nog steeds liever naar een vrouw met grote borsten dan naar een bankrekening met veel geld er op, begrijp je? En als Angus en ik samen een gitaarakkoord aanslaan, dan wanen wij ons pas écht in de hemel. Elke dag weer. Dat is AC/DC, dat is het ware gevoel van succes.”

Power Up van AC/DC komt op 13 november uit.

DISCOGRAFIE

High Voltage

Sony

7

De beste songs van de Australische platen High Voltage (’74) en TNT (’75) zijn samengevoegd op dit internationale debuut. Primitief maar daardoor ook uitermate opwindend. Songs als The Jack, T.N.T en High Voltage worden nog steeds live gespeeld. (1976)

Dirty Deeds Done Dirt Cheap

Sony

8

Voor die hard AC/DC-fans is deze plaat nog steeds een van de hoogtepunten. De productie van het duo Vanda & Young is al een stuk beter dan die van het debuut, Cliff Williams is een waardig vervanger van Mark Evans en Bon Scott groeit in zijn rol als frontman. (1976)

Let There Be Rock

Sony

8

Whole Lotta Rosie is het prijsnummer en de reden waarom de band met dit album in Europa doorbreekt. De plaat staat vol geweldige songs zoals het titelnummer, Hell Ain’t A Bad Place To Be en Bad Boy Boogie.

Powerage

Sony

10

AC/DC klinkt op Powerage voor het eerst als een volwassen hardrockband. Naast het hitje Rock ‘N’Roll Damnation (staat overigens niet op de eerste albumpersing), bevat Powerage ook fantastische songs als Riff Raff, Sin City en het jakkerende Kicked In The Teeth. (1978)

If You Want Blood You’ve Got It

Sony

8

Deze liveplaat is een tussendoortje voor de fans, maar wat voor eentje. Tot aan dat moment is het de band nog niet gelukt om de brute live power op studioplaten over te brengen. If You Want Blood klinkt zoals AC/DC moet klinken. Rauw, hard en compromisloos. (1978)

Highway To Hell

Sony

9

Door de invloed van producer John ‘Mutt’ Lange is de sound een stuk toegankelijker en zijn de nieuwe songs veel meer midtempo. Het komt het groepsgeluid en de kenmerkende AC/DC-groove volledig ten goede.De ultieme AC/DC-plaat uit het Bon Scott-tijdperk. (1979)

Back In Black

Sony

10

De eerste plaat met Brian Johnson achter de microfoon. De door Malcolm en Angus Young geschreven songs, de geweldige productie van Mutt Lange en de intensiteit zorgen voor het succes. Een van de best verkochte hardrockplaten aller tijden. (1980)

For Those About To Rock

Sony

7

De opvolger van Back In Black klinkt productioneel fantastisch, maar de songs zijn van een beduidend minder gehalte. Het is allemaal net een beetje te bombastisch voor een groep als AC/DC. (1981)

Flick Of The Switch

Sony

6

Het zelf geproduceerde is gelukkig weer beduidend rauwer en agressiever dan haar voorganger. Rising Power, Nervous Shakedown en Guns For Hire behoren tot de betere songs uit het oeuvre. Maar de humor en consistentie in de muziek lijkt verdwenen. (1983)

’74 Jailbreak 1984

Sony

7

Demo-opnamen van songs die de internationale debuutplaat High Voltage nooit hebben gehaald. Je hoort hier AC/DC in haar meest elementaire vorm. (1984)

Fly On The Wall

Sony

6

Weliswaar is Fly On The Wall een van de mindere AC/DC-albums – mede door het vertrek van drummer Phil Rudd – maar het klinkt altijd nog tien keer beter dan de bagger die al de Amerikaanse hairbands in deze periode uitpoepen. (1985)

Who Made Who

Sony

7

Soundtrack van de Stephen King-film Maximum Overdrive. Naast een paar AC/DC-classics bevat het album drie nieuwe songs die niet echt wat toevoegen. Alleen leuk voor de echte fans dus. (1986)

Blow Up Your Video

Sony

7

Malcolm Young is tijdelijk vertrokken om zijn alcoholverslaving te bedwingen, maar het producersduo Vanda & Young is weer terug van weggeweest. Zij zorgen ervoor dat de band eindelijk weer eens net zo rauw klinkt als op het podium. Nu de songs nog. (1988)

The Razors Edge

Sony

8

De comeback is een feit. Aan de hand van succesproducer Bruce Fairbairn lijkt AC/DC weer de vorm te hebben gevonden. Met het nummer Thunderstruck scoort de band voor het eerst in tien jaar ook in Nederland weer een grote hit. (1990)

Live

Sony

7

Dit live-album verliest het op punten van If You Want Blood. De productie van Bruce Fairbairn is net iets te gelikt en zanger Brian Johnson zit er net iets te vaak naast. Ook in limited edition op 2cd verschenen. (1992)

Ballbreaker

Warner

7

Phil Rudd sluit zijn kalkoenenkwekerij en keert terug achter de drumkit. De op papier ijzersterke samenwerking met Rick Rubin komt echter niet zo goed uit de verf omdat hij de band te geforceerd het bluesy geluid uit de beginperiode wil meegeven. (1995)

Stiff Upper Lip

Warner

8

Met oudere broer George Young als producer aan boord, keert AC/DC op Stiff Upper Lip weer terug naar de eenvoud. En dat werkt! Een volbloed AC/DC-plaat met twaalf fantastische songs. (2000)

Black Ice

Sony Music

8

Op Black Ice werkt de band voor het eerst samen met producer Brendan O’ Brien. Je hoort een band in absolute topvorm en met de openingssong Rock ‘n’ Roll Train heeft AC/DC eindelijk ook weer eens een hit te pakken. (2008)

Rock or Bust

Sony Music

7

Deze eerste plaat zonder Malcolm Young is oké maar wat betreft songs net iets minder dan Black Ice. Stevie Young heeft Malcolm vervangen en Chris Slade is teruggekeerd op drums na een rare aanvaring van drummer Phil Rudd met justitie. (2014)

Power Up

Sony Music

8

Het album dat niemand meer verwachtte. En het goede nieuws is dat Power Up van de eerste tot de laatste track weet te beklijven. De songs zijn sterker en puntiger dan die op voorganger Rock Or Bust en zanger Brian Johnson zingt geweldig, alsof er niets is gebeurd. De rockverrassing van 2020.