EXCLUSIEF: Keith Richards ‘Muziek is mijn levenslange verslaving’

Nieuws Uit Magazine

Dit exclusieve interview komt uit de 2e editie van Soundz Magazine 2019.

Niemand gaf halverwege de jaren ’80 nog een stuiver voor het voortbestaan van The Rolling Stones. Mick Jagger had zijn bandje niet meer nodig en zijn gitarist dook ietwat pissig de studio in: dan maar een eigen plaat maken. Dertig jaar later blikt Keith Richards terug op die tijd. “De Stones hadden op dat punt zomaar uit elkaar kunnen vallen.”

TEKST: JEAN-PAUL HECK

Wat zag het er halverwege de jaren ’80 slecht uit voor de Stones. Goed, de band had in een geweldige comeback gemaakt met prima platen als Some Girls (1978) en Tattoo You (1981), maar langzaam raakten de mannen vast in de modder. Geen inspiratie, te grote ego’s en vastgeroeste vriendschappen. Resultaat? Dirty Work, dat in 1986 verscheen. Volgens velen de slechtste plaat die de Stones ooit hebben opgenomen. Mick Jagger had andere priori- teiten en kwade tongen beweren dat hij zijn beste liedjes achterhield voor zijn solo-uit- spattingen She’s The Boss (1985) en Primitive Cool (1987). Richards reageerde. Hij dook de studio in met een legertje gelijkgestemden en kwam er met het onwaarschijnlijk leuke Talk Is Cheap uit. “Het was een periode waarin ik alleen nog maar dingen wilde doen die ik leuk vond. Werken met leuke mensen, zoals Tom Waits en Aretha Franklin. En nee, ik vond Mick op dat moment geen leuk mens.”

Tot een breuk leidden de soloprojecten van Keith en Mick niet. Ruim 30 jaar later zitten Richards en Jagger gewoon weer gezamenlijk in de Germano Studios in hartje Manhattan. Een plek waar het tweetal sinds vorig jaar regelmatig samenkomt om te werken aan een nieuwe Stones-plaat. Tussendoor gaven de mannen begin zomer ook nog dertien stadionconcerten die deel uitmaken van hun No Filter Tour, die nu alweer drie jaar duurt. Daarnaast verscheen deze maand de verzame- laar Honk, het meest actuele hitoverzicht van de band, dat zelfs loopt tot en met het laatste album Blue And Lonesome.

“We zijn allemaal nog fit genoeg om dit te doen dus, waarom niet?”, zegt Richards aan de telefoon. Hij is 75 jaar, maar zit dus prima in zijn vel. Waar Jagger van de ene relatie in de andere rolt en Ron Wood om de haverklap het gevecht moet aangaan met zijn alcohol- verslaving, lijkt Richards’ bestaan haast sereen. Hij is al 32 jaar bij dezelfde vrouw (fotomodel Patti Hansen), is gek op de twee dochters die ze samen hebben en de twee kinderen uit zijn eerdere huwelijk met Anita Pallenberg, de vrouw die hij nog steeds schijnt te onderhouden. Daarnaast is hij ook nog eens opa van vijf kleinkinderen.

Keith, hoe gaat het?

“Het is prima. De afgelopen weken hebben Mick en ik de studio gewerkt aan nieuwe nummers voor de Rolling Stones. We hebben al heel wat gedaan, het gaat prima. Ik was blij dat ik na de feestdagen weer aan de slag kon. Ik ben nu weer thuis in Connecticut en doe een paar interviews vanwege Talk Is Cheap. Een plaat waar ik graag over praat.”

Je hebt een heerlijk overzichtelijk leven. In de winterperiode vertrek je naar de Bahama’s, daarna naar je huis in Connecticut en tussendoor spelen en opnemen met de Stones.
“Ik leid een heel rustig leven met mijn vrouw en kinderen en geniet van de rustmomenten. Mensen hebben een verknipt beeld van het leven van een gitarist in een beroemde band. Ik kan nog steeds geen dag zonder muziek. Elke dag ben ik wel met een nieuw nummer of idee bezig. Het is mijn levenslange verslaving. Ik merk ook dat ik veel meer energie heb en de laatste tijd werk ik als een idioot. Eerst heb ik mijn autobiografie geschreven, daarna getourd met de Stones en tussendoor aan nieuwe nummers gewerkt.”

Je enthousiasme is nog altijd bijna naïef.

“Als tiener heb ik mezelf ooit opgelegd een grenzeloos en vrij leven te leiden. En de muziek heeft het mogelijk gemaakt om dat ook te doen. Daarom ga ik ook niet roepen dat ik ooit stop met spelen. Ik ben een man op leeftijd met de ziel van een kind. Pas als ik tussen zes planken lig, mag je zeggen dat ik volwassen ben. Echt, ik geniet enorm van het leven en van mijn muziek. Ik ben ook enorm trots op deze plaat, maar ook op de Stones. Ik vind het geweldig dat we nog altijd met elkaar op het podium staan, ondanks alles wat er in die jaren goed en fout ging.”

‘Talk Is Cheap’ verscheen in een turbulente
tijd voor de Rolling Stones. Tussen jou en Mick boterde het niet zo…
[Er klinkt een herkenbaar, vunzige lachje] “Ach. Mick maakte in een korte tijd een paar soloplaten en ik had mij gestort op de film

Hail! Hail! Rock ‘N’ Roll en een project met Aretha Franklin. Voor de rest had ik weinig om handen en aangezien ik niet stil kan zitten, begon ik met drummer Steve Jordan wat ideeën uit te wisselen. Ik had hem ontmoet bij het maken van de film en er was meteen een klik. Tot aan dat moment had ik alles met Mick gemaakt en nooit overwogen om iets met anderen te doen.”

The Wino’s, want zo noemde jij je nieuwe band destijds, gaven jou een fikse schop onder de kont. “Hoe groot is de kans in je leven dat je de perfecte band vindt? Bijna nul. Ik heb twee keer de beste band van de wereld gevonden. What are the odds? Steve en ik hadden een kleine studio in Manhattan afgehuurd waar we met een aantal nummers aan de slag gingen. Nee, een plaat was toen helemaal niet het doel. Hij had een stel topmuzikanten om zich heen verzameld: Charley Drayton, Sarah Dash, Ivan Neville… allemaal meesters op hun instrumenten. Tijdens mijn sessies met Tom Waits [voor diens Rain Dogs-album] was ik in aanraking gekomen met gitarist Waddy Wachtel. Ook Bobby Keys heb ik erbij gehaald omdat ik hem in het verleden ook al een verrijking voor de Stones-sound vond.”

Kun je nog het eerste moment herinneren dat jullie de studio indoken?
“Ik weet nog dat we voor het eerst samen speelden. Opeens was daar een soort déjà vu. Precies zoals ik voor het eerst met de Rolling Stones speelde. Een sensationeel gevoel dat normaliter maar één keer in je leven voorbij- komt. Het werkte als een soort verjongings- kuur voor mij, al die nieuwe mensen om me heen. Opeens brak de wereld open. Toen ik met Chuck Berry werkte, leek het wel of ik naar school was teruggekeerd. En Aretha… man, wat was zij goed.”

Vooral de band met Steve Jordan was sterk.

“Steve hadden we tijdens de opnames van Dirty Work bij de Stones gehaald. Kijk, in mijn ogen is Charlie Watts de beste drummer voor een rock- ‘n-roll band die er is. Punt! Maar Steve Jordan is van hetzelfde kaliber. Door gesprekken met hem kwam ik erachter dat er genoeg andere mogelijkheden waren om muziek te maken. Toen we de club helemaal bij elkaar hadden, was het gewoon plezier hebben. Net zoals in de begindagen van de Rolling Stones. Het ging allemaal zo losjes en makkelijk.”

En je had opeens een nieuwe schrijfpartner. Ook wel bijzonder.
“Ik had nooit eerder nummers met een drummer geschreven. Dan zie je dingen toch vanuit een heel ander perspectief. Ik had tot dat moment alleen maar liedjes gemaakt met de stem van Mick in gedachte. Ik weet nog dat we aan het nummer No Mistake werkten en Steve zei meteen dat we ermee naar producer Willie Mitchell moesten. Daar haalden we ook de Memphis Horns erbij. En het werkte. Weet je, als ik schrijfsessies doe in New York voor de Rolling Stones en het lukt Charlie niet om vanuit Engeland over te komen, vraag ik Steve om te drummen.”

Kun je even teruggaan naar het begin van jullie samenwerking?
“Steve nodigde me uit om in zijn studio wat te jammen. Hij wilde heel graag de werkwijze uitproberen die ik gebruikte tijdens de opnamen van de Stones-nummers Jumpin’ Jack Flash en Street Fighting Man, waar we alleen met gitaar en drums aan begonnen zijn. Vanaf de eerste momenten met hem in de studio had ik het virus te pakken. Ik voel me thuis in een studio als ik in de aanwezigheid ben van gelijkgestemden. Ik heb er ook geen hekel aan om wekenlang in een studio te zitten. Mick is nogal ongeduldig, maar ik kan echt dagenlang met een nummer of groove bezig zijn. Dat had ik in de jaren ‘70 al, toen we met de Stones Sticky Fingers en Exile On Main St. opnamen. In hart en nieren ben ik eigenlijk een bluesgitarist, geen studiomuzikant, maar ik weet heel goed dat ik nooit in de schaduw kan staan van mijn helden Muddy Waters, Lead Belly en B.B. King.”

Had je bewust gekozen voor Le Studio in het Canadese Quebec? Een godvergeten, stille plek. “Absoluut! Ik wist dat kameraadschap belangrijk was om het te laten slagen en wilde niet dat iedereen zich na de opnames zou terugtrekken in zijn hotel. Dat werkte goed. Als ik de foto’s uit die tijd terugzie, herinner ik mij er nog veel van. Het mooie was dat Steve iedereen kende. Ik hoefde maar een naam te noemen en diegene stond in de studio. Als een Rolling Stone leef je toch een vrij geïsoleerd leven, maar hij stond midden in een muzikantenkring. Zodoende konden we ook gebruikmaken van de muzikanten van James Brown.”

Voor het openingsnummer ‘Big Enough’ waren bassist Bootsy Collins, saxofonist Maceo Parker en toetsenman Bernie Worrell present.
“Man, dat zijn giganten! We namen op in één of twee takes. Het was tape aan, spelen, boem, klaar! Ik begreep daar in eerste instantie helemaal niets van. Bij de Stones was ik gewend om elk nummer vijftig keer om te draaien.”

Op de heruitgave staat de nooit uitgebrachte track ‘Slim’ met een lange pianosolo van Johnnie Johnson, de man die ooit een jonge Chuck Berry voor zijn eigen band aannam en deels verant- woordelijk is voor diens grootste hits.
“Die naam had Ian Stewart, de inmiddels overleden toetsenman van de Stones, laten vallen. Uiteindelijk wist Stu hem te pakken te krijgen en haalde hem naar de studio. Daar ben ik nog altijd erg trots op, want vanaf dat moment kwam zijn carrière weer in een lift. Die man is deels verantwoordelijk voor de meest memorabele liedjes uit de geschiede- nis van de rock-‘n-roll. Roll Over Beethoven, Rock And Roll Music en natuurlijk Johnny B. Goode, dat gebaseerd is op Johnnie.”

‘Talk Is Cheap’ is een vrolijke plaat, al haal je in het nummer…
“…ik zat in die tijd ook goed in mijn vel, maar ik was wel verbaasd over dingen die Mick deed en zei. Hij deed achteloos over de toekomst van de Stones. Dat is mijn ogen het ergste wat je kunt doen. Jij doelt natuurlijk op You Don’t Move Me.”

Klopt. Daarin komen de volgende regels voor- bij: ‘Why do you think you got no friends / You drove them all around the bend / You don’t move me anymore / Now you wanna throw the dice / You already crapped out twice’.

“Ik was kwaad op Mick, zoals ik al zei. Uiteindelijk zijn we drie maanden na de release van Talk Is Cheap in Barbados, in de studio van reggaester Eddy Grant, bij elkaar gaan zitten en was het duidelijk dat we beiden voor de Stones wilde gaan.”

Je bent ook nog neergestreken in de Royal Studios in Memphis, van producer Willie Mitchell.
“Klopt. Dat was het idee van Steve. Als je Memphis soul wil maken, moet je het ook daar opnemen en het liefst met de man die het haast heeft uitgevonden. Het was zo’n oude, zweterige studio met de perfecte sfeer en sound. Ik weet nog dat we tijdens de opnames een oude basdrum vonden van drummer Al Jackson Jr., de originele drummer van Booker T & The M.G.’s die in 1975 werd vermoord. Willie gaf hem aan Steve en die heeft er volgens mij weken- lang mee geslapen, haha.”

Je was 45 toen je ‘Talk Is Cheap’ opnam. Eigenlijk al een veteraan. Hoe kijk je daar als 75-jarige op terug?
“Nog maar net 75 hè… haha. Ik heb nooit platen gemaakt die moesten aansluiten bij de tijdsgeest. Toen we hiermee begonnen, stond ik ervan versteld hoe fris al die nummers uit 1988 nog klonken. Alsof ik ze gisteren had opgenomen. Ik doe dit al 60 jaar, maar ben nog nooit één moment bezig geweest met de vraag of wat ik deed in de mode was.”